Verhalen uit de oorlog - Ad den Otter

10 mei 1940

Ad den Otter

Ons gezin bestond uit vader, moeder en 6 kinderen. Toen de oorlog begon was ik 7, mijn oudste broer 13, mijn zus 11 en mijn andere broers 9, 5 en 1.

Ik zat in de eerste klas van de lagere school. Toen wij ’s morgens wakker werden, werd ons verteld dat we niet naar school mochten. Wij woonden aan de Middeldijk, niet ver van het fietspad vandaan. De vliegtuigen kwamen bij ons over en de parachutisten sprongen eruit net voorbij de Koedood en Smitshoek.
Wij stonden op de dijk te zwaaien naar de piloten want die zag je gewoon zitten omdat ze zo laag vlogen. Laag vliegen was veiliger om uit het zicht van het afweergeschut te blijven. Op de boerderij bij Leeuwenburg stond een zoeklicht.
De Duitse soldaten trokken naar de Barendrechtse Brug want in de Hoekse Waard waren de Hollandse soldaten gelegerd. Je hoorde bij ons af en toe een kogel tegen het huis tikken.
Na een paar dagen gingen we weer naar school. Aan de 2e Barendrechtseweg stonden toen allemaal Duitse vrachtauto’s.

Woonhuis van Ad den Otter aan de Middeldijk

De eerste jaren van de oorlog verliepen rustig. Maar daarna werd het anders. Bij de boeren waren bijna altijd soldaten. Ze hadden wagens met paarden ervoor en kanonnen. Soms met wel 4 paarden ervoor. Ik ben altijd een liefhebber van paarden geweest, dus ik vond dat mooi. Het laatste jaar van de oorlog wisselde de soldaten elkaar af, want het front lag in de Hoekse Waard.
Voor de mensen uit de stad werd het moeilijker, want er was steeds minder eten. Daardoor kregen wij ook steeds meer mensen op bezoek voor eten. Wij hadden zelf genoeg te eten want mijn vader werkte bij een boer en had zelf ook nog ¼ HA land. Daar verbouwde hij aardappelen en groente op. Dus er was voldoende om aan andere mensen te verkopen. En klanten had je al gauw.
Mijn moeder had een zus en broer in Rotterdam wonen, die langskwamen voor eten. En ook kennissen kwamen ons opzoeken. Er kwam bij ons een vaste groep elke week aardappelen en groente halen. Van een hoop wist je de naam niet eens. Wij hadden sommigen een bijnaam gegeven; o.a. Schipperspet en Jaapje. Verdere namen die ik nog weet zijn: Maret, Streveland, Michels. En daarnaast nog vele anderen. Wij hadden wel genoeg eten, maar aten wel 2x op een dag aardappels. En van suikerbieten maakten we zelf stroop. Snoep was er bijna niet meer, maar mijn moeder maakte zelf aardappeltaart, bestaande uit aardappels en één of ander extract, wat ze bij de drogist kocht (ik dacht amandelsmaak). En van bloem met een beetje komijn maakte ze smeerkaas.
Het werd met veel dingen schaars, ook kleding en schoeisel. Wij hadden geluk dat mijn moeder goed kon naaien, dus zij maakte alles zelf. Ze haalde bij Hooijmeijer, de beschuitfabriek, lege bloembaaltjes waar ze ondergoed van maakte. Daar stonden echter zwarte letters op die ze met groene zeep insmeerde om ze te verwijderen. Ze kon ook heel goed sokken maken voor in je klompen.
Het laatste jaar van de oorlog hadden wij ook nog 2 onderduikers. Die kwamen uit Den Haag en waren naar ons toegekomen omdat er een grote razzia zou plaatsvinden. Die was in Rotterdam ook al geweest. En als je geen goede papieren had namen ze je mee en moest je op transport naar Duitsland. Deze 2 onderduikers hadden allebei een meisje (vriendin) en die kwamen de jongens in het weekend opzoeken. Ze kwamen op zaterdag en gingen ’s maandags weer weg. In Den Haag was ook steeds minder te eten en kwamen ze langer. Tenslotte kwamen ze op vrijdag en gingen op dinsdag weer naar huis.
We hadden een woonkamer en een zogenaamde “mooie” kamer. Daar waren 2 bedsteden, in één ervan sliepen mijn vader en moeder en ik vermoed mijn jongste broers in de andere. We hadden een grote zolder waar de rest sliep. In eerste instantie alleen de 4 oudste kinderen, later ook de onderduikers en hun vriendinnen als die voor het weekend overkwamen.

Toen kwam de bevrijding. Er werd overal feest gevierd. Ik weet nog van een feest aan de Ziedewijdse Uitbreiding (Stationswijk), 2e Barendrechtseweg, Middeldijk, Talmaweg en Kattenbuurt (Voordijk/ Carnisseweg).

De Libarator

De neergestorte Liberator (tekening dhr. Mooij)

Het laatste oorlogsjaar hoorde je bijna elke avond vliegtuigen bij ons over komen. Dan werden de blinden bij ons open gedaan en keken we naar de zoeklichten in de lucht. Met de verschillende stralen bij elkaar zag je dan soms een vliegtuig. Daar werd dan op geschoten. Eén keer stonden we te kijken en hoorden een harde knal. Toen bleek er een granaat bij onze buren op het huis gevallen te zijn. De ene kant van het huis was zwaar beschadigd. In de kamer ernaast zat de familie in huis en hadden niets door. Ze hadden ook wel een knal gehoord maar wisten niet dat het bij hen in huis was. Pas toen buren kwamen kijken of alles goed was, kregen ze door dat hun huis geraakt was.

Wij, kinderen, gingen de volgende dag scherven zoeken in de dijk. Daar zaten altijd veel gaten in van inslagen. En bij de schooljeugd was het een hobby om scherven te verzamelen.

Op een zaterdagavond waren wij aan het voetballen op de Breje Plek (hier werden de suikerbieten gebracht om later met de tram naar de fabriek vervoerd te worden) toen er plotseling ca. 6 vliegtuigen over kwamen. Deze gingen naar de Barendrechtse Brug om die te bombarderen. Je kon bij ons vandaan de bommen zien vallen, 2 schuin naast/onder elkaar. En zo vlogen de vliegtuigen een rondje, net zo lang totdat de brug in brand stond.

Het vliegtuig dat achter Bijdorp is neergestort heb ik van de Middeldijk door de Zuidpolder uit het oosten vandaan zien komen. Ik schrok ervan want zo’n groot vliegtuig had ik nog nooit gezien. Uit dit vliegtuig is toen een parachutist gesprongen. Ik ben toen rennend richting de Carnisseweg gegaan. Een paar honderd meter voor de Carnisseweg kwam de parachutist door het land, waar koolzaad stond te bloeien, naar de dijk lopen. Ik was er bijna toen er een Duitse soldaat (een mof) op de fiets mij voorbij kwam. Ik zie nog voor me dat toen hij mij voorbij fietste, zijn pistool trok en op de parachutist afging. Deze stak zijn handen omhoog en kwam rustig naar de dijk lopen. Daarna kwam er een Duitse auto en moest de parachutist op de motorkap plaatsnemen zodat iedereen kon zien dat ze een krijgsgevangene hadden.

Sabotage

Op Smitshoek bij Pendrecht stonden vele houten elektriciteitspalen. Daar vond sabotage plaats. Ik weet helaas niet wat er precies gebeurde. Ten gevolge daarvan werd er een zogenaamde “palenwacht” ingesteld. Dit hield in dat alle mannen tussen 16 en 40 jaar bij toerbeurt ’s nachts de palen moesten bewaken zodat er niets meer mee kon gebeuren.

In alle polders in Barendrecht werden houten palen opgezet in opdracht van de Duitsers. Dit werd gedaan zodat er in de polders geen vliegtuigen konden landen. De palen werden met (binnenvaart) schepen aangevoerd en gelost op het terrein bij de Velo aan de Achterzeedijk. Daarvandaan werden ze op een wagen geladen en naar de polders gebracht. Normaal gingen er meerdere palen op één wagen, maar ik herinner me één keer dat er zo’n enorme grote paal was dat die slechts alleen op de wagen paste.
Ten westen van de Koedood, ten zuiden van de Essendijk, maar ook bij de Reijerwaardseweg, Hordijk en Straatweg werden polders onder water gezet. De reden hiervoor was o.a. dat er geen vliegtuigen konden landen maar ook zodat er verdedigingsstroken waren. Het frappante is dat op deze onder water gezette polders in de winter ook “gewoon” schaatswedstrijden gehouden werden.

De boeren werden door de Duitsers verplicht om koolzaad te telen. Dit werd gebruikt om olie van te maken. Mijn opa moest dat ook, maar wilde dit niet. Hij saboteerde de boel door te weinig zaad te zaaien, waardoor er niet genoeg koolzaad opkwam en dit werd dan gezien als een misoogst. Daarna mocht hij dan aardappels poten, die dan weer verkocht konden worden aan mensen in nood.

Schaarste

Aan het eind van de oorlog hadden steeds meer mensen honger door schaarste aan voedsel. Gevolg was dat er steeds meer gestolen werd, ook door mensen die bij ons aan de deur kwamen. Bij ons thuis is overdag een pan bruine bonen gestolen die in de keuken op het oliestel stond. Bij mijn opoe is door het open raam een klokje gestolen, wat waarschijnlijk weer gebruikt werd om te ruilen voor eten.
’s Nachts werden ook aardappels van het land gehaald. Wij hadden een hond, die ’s nachts ineens ging blaffen. Vader keek uit het raam maar zag niets bijzonders. Uiteindelijk bleek dat er bij de buren wel aardappels gestolen waren. Op een gegeven moment gingen de buurtbewoners ’s nachts wachtlopen, o.a. mijn vader en zijn broers.
Bij mijn opa zijn ook een keer ’s nachts aardappels uit de schuur gestolen. Dit ontdekte hij de volgende morgen toen hij ging melken. De schuurdeur stond namelijk een stukje open. Met een aantal zijn ze rond gaan kijken, o.a. bij de Breje Plek. Toen ze daar aankwamen stonden daar een paar mannen met een auto die hen vroegen of ze mee wilden helpen de auto aan te duwen. Dat vonden ze toch wel wat verdacht. Dus eerst zijn ze op de Breje Plek op onderzoek uitgegaan en daar vonden ze de aardappels die verstopt waren in een lege tramwagon. Ik weet helaas niet meer hoe het verder is afgelopen.

Aan de 3e Barendrechtseweg lagen ook aardappels die gerooid waren. Mijn opa ging daar ook ’s nachts een keer kijken en toen bleek dat daar een aantal mensen zakken aan het vullen waren. Het waren er vrij veel en opa was in z’n eentje. Hij is toen in het donker zogenaamd tegen anderen gaan praten om de indruk te geven dat hij niet alleen was. Hij durfde ze in z’n eentje niet aan te spreken omdat het er teveel waren.

Aan de 2e Barendrechtsweg woonde een man die een kano had. Die ging er ’s nachts/’s morgens vroeg met de kano op uit en voer dan via de Molenvliet en de Vliet naar de Middeldijk. Bij de boerderij van Sparrenboom aan de Middeldijk hadden ze melkkoeien en de melkbussen hielden ze ’s nachts koel bij het “stap” aan de Vliet. De man met de kano wist dit en haalde/stal wat melk uit de bus voor eigen gebruik. Dit werd uiteindelijk gemerkt en de dief werd gesnapt.

Ga terug